ECLI:NL:CRVB:2013:CA3794
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid na zorgvuldige medische beoordeling
Appellante, laatstelijk werkzaam als machineoperator, viel uit wegens urologische en psychische klachten. Het UWV stelde bij besluit vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de medische beperkingen zorgvuldig waren vastgesteld door verzekeringsartsen en een psychiater.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het UWV het hoor- en wederhoorbeginsel niet had toegepast, omdat de bezwaarverzekeringsarts niet had gereageerd op de tegenstrijdige visie van de behandelend psychiater. De Raad oordeelde dat rapportages van verzekeringsartsen een bijzondere waarde hebben wanneer zij zorgvuldig zijn opgesteld en dat het aan appellante is om aan te tonen dat deze rapportages onzorgvuldig, inconsistent of onjuist zijn.
De Raad vond de aangevoerde bezwaren onvoldoende onderbouwd en bevestigde dat het UWV terecht is uitgegaan van de rapportages van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts. Tevens is vastgesteld dat appellante met de beperkingen de voor haar geschikte functies kan vervullen, waardoor haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Het hoger beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt verworpen; appellant heeft geen recht op WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.