Uitspraak
10 mei 2012, 12/113 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
BESLISSING
D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2014.
Centrale Raad van Beroep
Appellant kreeg voor 2010 een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend van €16.215,91 voor begeleiding en tijdelijk verblijf. Het Zorgkantoor beëindigde het pgb en vorderde terugbetaling omdat appellant onvoldoende bewijs leverde dat zorgverleners daadwerkelijk waren betaald.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het Zorgkantoor terecht het pgb op nul had vastgesteld en mocht terugvorderen. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel degelijk zorgverleners had betaald en dat zijn administratie weliswaar niet perfect was, maar voldoende.
De Raad overwoog dat de bevoegdheid tot terugvordering discretionair is en dat het Zorgkantoor onverschuldigd betaalde bedragen mag terugvorderen. De door appellant aangevoerde omstandigheden boden geen grond om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van het pgb bevestigd.