ECLI:NL:CRVB:2014:1196
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over ingangsdatum toename arbeidsongeschiktheid en herstelbesluit UWV
Appellant, voormalig huishoudelijk medewerker, viel in 1995 uit wegens psychische klachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling in 2006 werd deze uitkering ingetrokken per 1 januari 2007 wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Appellant meldde zich in mei 2007 ziek en kreeg later een WAO-uitkering toegekend vanaf september 2011 met een mate van 15 tot 25%.
Het UWV kende in juni 2012 een WAO-uitkering toe met ingang van 25 december 2009, berekend op 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid, maar appellant stelde dat hij al vanaf 1 januari 2007 volledig arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Raad dat de beperkingen, zoals neergelegd in de FML van juni 2012, al langer aanwezig waren.
De Raad stelt dat de keuze van het UWV voor 27 november 2009 als ingangsdatum arbitrair is en onvoldoende is gemotiveerd. Rapporten van psychiaters en psychologen tonen aan dat de psychische problematiek al geruime tijd bestond. Het rapport van verzekeringsarts Houben uit mei 2007 onderschat de ernst van de problematiek. De Raad wijst het UWV erop het besluit te herstellen en nader arbeidskundig onderzoek te verrichten om passende functies te duiden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep draagt het UWV op het besluit te herstellen met inachtneming van de eerdere aanwezigheid van beperkingen en aanvullend arbeidskundig onderzoek.