Betrokkene was in dienst bij een werkgever die failliet werd verklaard. Na het faillissement weigerde het UWV het loon over de opzegtermijn te berekenen op basis van het gemiddeld aantal werkelijk gewerkte uren, maar hield het vast aan het contractuele minimum van vier uur per week. Betrokkene maakte bezwaar en stelde dat zij recht had op loon gebaseerd op het hogere aantal uren dat zij feitelijk werkte.
De rechtbank oordeelde dat het loon over de opzegtermijn moest worden gebaseerd op het gemiddeld aantal uren gewerkt in de drie maanden voorafgaand aan de opzegtermijn. Het UWV ging in hoger beroep, stellende dat betrokkene het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW niet had ingeroepen en dat daarom het contractuele minimum moest gelden.
De Centrale Raad van Beroep verwierp dit standpunt en stelde dat het rechtsvermoeden een bewijsregel is die pas relevant wordt bij een geschil. Omdat betrokkene feitelijk structureel meer uren werkte dan het contractueel minimum en er geen geschil was over het aantal uren, had het UWV moeten uitgaan van het gemiddelde aantal gewerkte uren. De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van het aanvullende loon en wettelijke rente, en tot vergoeding van proceskosten.