ECLI:NL:CRVB:2004:AR6424
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- H.T. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loonvordering na arbeidsconflict en faillissement werkgever onder de Werkloosheidswet
Appellant was sinds 1971 in dienst van NSW Schilderwerken en werd arbeidsongeschikt verklaard sinds 25 februari 2000. De werkgever betaalde het loon door tot 23 februari 2001. Na het faillissement van de werkgever op 10 april 2001 vroeg appellant een WW-uitkering aan. De uitkeringsinstantie kende vakantiebijslag toe, maar wees loonvorderingen na 23 februari 2001 af.
Appellant bood zijn diensten onvoorwaardelijk aan, maar gaf aan dat hervatting van zijn oude werkzaamheden niet mogelijk was vanwege een arbeidsconflict. De Raad oordeelde dat onvoldoende is gebleken dat appellant zich bereid heeft verklaard tot het verrichten van andere passende arbeid, zodat geen loonvordering bestond die voor overname in aanmerking kwam.
De rechtbank had eerder vastgesteld dat de werkgever aan zijn verplichtingen had voldaan door het loon 52 weken door te betalen. Appellant stelde dat zijn arbeidsovereenkomst doorliep omdat hij niet was ontslagen, maar de Raad volgde dit niet, mede gelet op jurisprudentie over loondoorbetaling bij arbeidsongeschiktheid en passend werk.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees erop dat aanspraken op een 13e maand-uitkering slechts naar rato over maximaal 13 weken kunnen worden overgenomen. De stelling van appellant dat hij recht had op loon na 23 februari 2001 werd verworpen wegens onvoldoende concrete en duidelijke loonvorderingen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen loonvordering heeft die voor overname onder hoofdstuk IV van de WW in aanmerking komt na 23 februari 2001.