ECLI:NL:CRVB:2014:1589
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bezit onroerend goed in buitenland leidt tot herziening en terugvordering bijstand
Appellanten ontvingen vanaf 1992 met onderbrekingen bijstand, laatstelijk tot 31 maart 2009. Naar aanleiding van een anonieme melding startte de sociale recherche een onderzoek, waaruit bleek dat appellanten sinds 1996 eigenaar waren van een woning in Turkije met een waarde van €36.700. Dit bezit werd niet gemeld aan het college, wat een schending van de inlichtingenverplichting vormt.
Het college herzag en trok de bijstand over de periode 1999-2009 in en vorderde €90.958,67 terug. De rechtbank vernietigde het besluit deels vanwege verrekening van kosten. In hoger beroep betwistten appellanten de schending van de inlichtingenplicht en de hoogte van het terugvorderingsbedrag.
De Raad oordeelde dat appellanten onmiskenbaar de inlichtingenplicht hadden geschonden en dat het bezit van de woning leidde tot overschrijding van de vrijlatingsgrens, waardoor geen recht op bijstand bestond. De terugvordering was daarom terecht. Appellanten maakten geen aannemelijk dat zij alsnog recht op bijstand zouden hebben gehad. De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de eerdere uitspraak.
Uitkomst: Het beroep van appellanten wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand wegens niet gemeld bezit van onroerend goed in Turkije wordt bevestigd.