ECLI:NL:CRVB:2014:1670
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAZ-uitkering naar arbeidsongeschiktheidsklasse 55-65%
Appellant ontving sinds 1994 een arbeidsongeschiktheidsuitkering die in 1998 werd omgezet naar de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Na een fraudemelding concludeerde het UWV dat appellant vanaf 2004 werkzaamheden verrichtte in het bedrijf van zijn partner, wat leidde tot een verlaging van zijn uitkering en terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen.
In 2011 stelde het UWV de arbeidsongeschiktheidsklasse van appellant vast op 45 tot 55%, met een terugvordering van te veel ontvangen uitkering. Na bezwaar werd dit aangepast naar een klasse van 55 tot 65%, met een lagere terugvordering. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij geen werkzaamheden had verricht en geen inkomsten had ontvangen, en dat de loonwaarde onjuist was berekend. De Raad oordeelde dat het UWV terecht een praktische schatting maakte op basis van het frauderapport en dat de werkzaamheden van appellant een loonwaarde hadden, ook al ontving hij geen directe beloning.
De Raad bevestigde dat het UWV bij schending van de inlichtingenplicht een redelijke schatting mag maken en dat de eigen verklaring van appellant over de gewerkte uren als basis kon dienen. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek om wettelijke rente werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAZ-uitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 55-65% en wijst het hoger beroep af.