ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5630
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen terugvordering en boete WAZ-uitkering wegens werkzaamheden als zelfstandige
Appellant ontving een WAZ-uitkering en verrichtte werkzaamheden voor het bedrijf van zijn ex-echtgenote. Het UWV stelde vast dat appellant productieve arbeid verrichtte en paste de kortingsartikelen toe, leidend tot terugvordering van te veel betaalde uitkeringen en oplegging van een boete wegens schending mededelingsplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het besluit over de periode na 20 maart 1999 in strijd is met artikel 58 WAZ Pro, omdat anticumulatie slechts voor drie jaar geldt. De Raad vernietigt het besluit van 28 november 2002 voor dat deel, verklaart het beroep voor het overige ongegrond en veroordeelt het UWV in de proceskosten.
De Raad bevestigt dat werkzaamheden van organisatorische aard als productieve arbeid gelden en dat loonwaarde kan worden toegekend, ook als appellant geen beloning ontving. De omvang van de arbeid is gebaseerd op het dienstverband vanaf 1 juli 2001. De onderzoeksbevindingen en getuigenverklaringen bieden voldoende basis voor het oordeel dat appellant productieve arbeid verrichtte.
De Raad benadrukt dat appellant zijn mededelingsplicht heeft geschonden door werkzaamheden en inkomsten te verzwijgen, waardoor het UWV niet exact kon vaststellen welke arbeid en inkomsten er waren. Dit komt voor risico van appellant. De proceskosten worden begroot op €1.288,- ten gunste van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot terugvordering en boete wordt vernietigd voor de periode na 20 maart 1999, het beroep wordt voor het overige ongegrond verklaard.