ECLI:NL:CRVB:2014:1924
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving bijstand als alleenstaande en stond ingeschreven op een adres waar ook appellante woonde. Na een themacontrole en onderzoek door de sociale recherche bleek dat appellanten vermoedelijk een gezamenlijke huishouding voerden, hetgeen niet was gemeld. Het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal trok de bijstand in en vorderde de kosten terug van beide appellanten.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, waarna appellanten hoger beroep instelden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellanten gedurende de relevante periode gezamenlijk hoofdverblijf hadden en blijk gaven van wederzijdse zorg, onder meer door financiële verstrengeling, gedeeld huurcontract, gezamenlijke kredietfaciliteiten, en het samen gebruiken van de woning en auto's.
De Raad verwierp het verweer dat er slechts sprake was van een kostgangersrelatie of twee zelfstandige huishoudens. Omdat appellant de gezamenlijke huishouding niet had gemeld, werd de inlichtingenplicht geschonden. De Raad bevestigde het bestreden vonnis en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden en dat de intrekking en terugvordering van bijstand terecht is.