Eiseres ontving bijstand vanaf november 2009 en werd verdacht van het niet melden van samenwoning met [persoon 1] en het niet melden van inkomsten uit werkzaamheden. Verweerder trok de bijstand in en vorderde terugbetaling over de periode 2011 tot en met 2015.
De rechtbank oordeelde dat eiseres en [persoon 1] van januari 2011 tot januari 2014 een gezamenlijke huishouding voerden, gebaseerd op verklaringen, waterverbruik en telefoonlocaties. Tevens was eiseres vanaf november 2013 tot september 2015 werkzaam zonder dit te melden, wat een schending van de inlichtingenplicht vormt.
Voor de periode oktober tot december 2015 kon geen bewijs van werkzaamheden worden gevonden, waardoor het besluit tot intrekking en terugvordering over die periode werd vernietigd. De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten en gaf een termijn van zes weken voor een nieuw besluit.
Het beroep werd gegrond verklaard en het bestreden besluit deels vernietigd, waarbij het recht op bijstand over de gehele periode van 2011 tot september 2015 werd ingetrokken en teruggevorderd, behalve voor de laatste maanden van 2015.