ECLI:NL:CRVB:2014:1963
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing terugwerkende IOAW-uitkering wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant, geboren in 1953, ontving tot januari 2007 een WW-uitkering en meldde zich pas in februari 2011 opnieuw voor een IOAW-uitkering. Hij verzocht om toekenning van de uitkering met terugwerkende kracht vanaf januari 2007. Het college wees dit af omdat appellant in 2007 een intakeafspraak had afgezegd en geen nieuwe afspraak wilde maken, waardoor zijn recht niet kon worden vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij onjuist was voorgelicht door het CWI, waardoor hij de aanvraag niet eerder had doorgezet. De Raad overwoog dat volgens artikel 16a IOAW-uitkering in principe niet wordt toegekend vóór de datum van melding, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
De Raad stelde vast dat het afzeggen van de afspraak en het niet maken van een nieuwe afspraak voor rekening van appellant komen. De vermeende onjuiste informatie van het CWI vormt geen bijzondere omstandigheid die toekenning met terugwerkende kracht rechtvaardigt. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
De Raad wees tevens proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 27 mei 2014.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de terugwerkende IOAW-uitkering bevestigd.