ECLI:NL:CRVB:2014:2030

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 juni 2014
Publicatiedatum
13 juni 2014
Zaaknummer
13-4486 AWBZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afgewezen wegens gebrek aan procesbelang bij pgb voor zorg in Spanje

Appellant, woonachtig in Spanje sinds 1997, had een persoonsgebonden budget (pgb) aangevraagd voor zorg die hij ontving tijdens zijn revalidatie in Spanje na een operatie in Nederland. Het Zorgkantoor wees dit verzoek af omdat appellant niet in Nederland woonachtig is en de zorg in Spanje werd geleverd.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant niet tot de kring van verzekerden voor de AWBZ behoort en geen woonadres in Nederland heeft. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij zorg had ontvangen van een thuiszorgorganisatie in Spanje en dat hij recht had op een pgb.

De Raad overwoog echter dat de geleverde zorg geen AWBZ-zorg betrof en dat alle medische kosten reeds door de Spaanse zorgverzekeraar waren vergoed. Hierdoor had appellant geen financieel belang meer bij het hoger beroep. Het enkel nastreven van een principiële uitspraak werd niet als voldoende procesbelang gezien.

Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

13/4486 AWBZ
Datum uitspraak: 4 juni 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
31 juli 2013, 11/3220 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (Spanje) (appellant)
Univé-VGZ-IZA-Trias Zorgkantoren (Zorgkantoor)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend. Het Zorgkantoor heeft hierop gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2014 waar appellant is verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H.M. van Rijn.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant, geboren [in] 1940, is vanaf 10 april 1997 woonachtig in Spanje. In de periode van 1 mei 2010 tot en met 31 december 2011 beschikte appellant over een aan Europese wetgeving ontleende verklaring aanspraak op medische zorg in Nederland.
1.2.
Appellant is in maart 2011 in Nederland geopereerd. Aansluitend heeft revalidatie plaatsgevonden in verzorgingshuis de Sparrenheide in Driebergen. In verband hiermee heeft de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) appellant op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor de periode van 17 maart 2011 tot en met
16 september 2011 geïndiceerd voor een Zorgzwaartepakket VV09.
1.3.
Op enig moment heeft appellant zijn revalidatie voortgezet in een ziekenhuis in [woonplaats] te Spanje en heeft hij bij brief van 28 april 2011 verzocht om de door CIZ geïndiceerde zorg toe te kennen in de vorm van verlening van een persoonsgebonden budget (pgb). Bij besluit van 10 mei 2011 heeft het Zorgkantoor dit verzoek afgewezen.
1.4.
Bij besluit van 1 september 2011 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het tegen het besluit van 10 mei 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hierbij heeft het Zorgkantoor zich onder meer op het standpunt gesteld dat het niet mogelijk is om aan appellant een pgb voor zorg in Spanje te verlenen, omdat appellant niet woonachtig is in Nederland.
2.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat appellant niet behoort tot de kring van verzekerden voor de AWBZ. Daar komt bij dat appellant niet in de regio van enig zorgkantoor woont, dat appellant - uitgaande van de gemeentelijke basisadministratie - in Nederland niet beschikt over een woonadres en dat het ook om die reden niet mogelijk is om aan appellant een pgb te verlenen.
3.
In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant voert aan dat aan hem een pgb moet worden verleend, omdat hij in Spanje kosten heeft gemaakt door het inschakelen van de thuiszorgorganisatie Home Care +. Appellant heeft tijdens zijn revalidatie gemiddeld 20 uur per week gebruik gemaakt van de diensten van deze organisatie, bestaande uit vervoer naar het ziekenhuis en de dokter, huishoudelijk werk en het halen en brengen van boodschappen, post en medicijnen.
4.
De Raad overweegt als volgt.
4.1.
Eerst dient de vraag te worden beantwoord of appellant nog voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is hiervan sprake als het resultaat dat de indiener van het (hoger)beroepschrift met het indienen van het (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een uitsluitend formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.
4.2.
Bij de beantwoording van de onder 4.1 geformuleerde vraag acht de Raad van belang dat de door Home Care + aan appellant geleverde zorg, geen AWBZ-zorg betreft die ten laste van een pgb kan worden gebracht. Verder acht de Raad van belang dat appellant ter zitting bij de Raad heeft bevestigd dat alle overige in verband met zijn revalidatie in Spanje gemaakte medische kosten reeds door zijn Spaanse zorgverzekeraar zijn vergoed. Gelet hierop kan appellant met zijn hoger beroep niet in een - financieel - gunstiger positie komen te verkeren. Niet valt in te zien welk resultaat appellant met het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak nog kan bereiken. De enkele wens van appellant om ten behoeve van het algemene belang (van gepensioneerden in Spanje) een (principiële) uitspraak te krijgen, acht de Raad geen rechtens te honoreren procesbelang.
4.3.
Nu appellant geen procesbelang in de hiervoor omschreven zin heeft, wordt het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard.
5.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en A.J. Schaap en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2014.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) E. Heemsbergen

TM