Appellant, woonachtig in Frankrijk en ontvanger van een ouderdomspensioen, betwistte de vaststelling van de buitenlandbijdrage over 2006 en 2008 door het Zorginstituut vanwege overschrijding van de wettelijke termijnen voor vaststelling.
De Raad oordeelde dat de termijnen in de Regeling zorgverzekering geen verval- of verjaringstermijnen zijn en dat overschrijding daarvan niet leidt tot het vervallen van de bijdrageplicht. De rechtbank had dit eerder ook vastgesteld en de Raad bevestigt deze lijn. Tevens werd geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet leidt tot schending van het rechtszekerheidsbeginsel, mede omdat appellant op de hoogte was van zijn verdragsgerechtigde status en de mogelijkheid van latere vaststellingen.
Verder wees de Raad het argument af dat de coördinatieverplichting uit Vo 1408/71 zou vereisen dat vaststelling vóór de Franse belastingaangifte plaatsvindt, en bevestigde dat de buitenlandbijdrage geen belasting is, waardoor dubbele heffing niet aan de orde is. Ook werd geoordeeld dat de heffingssoevereiniteit van Frankrijk niet is geschonden omdat alleen het Nederlandse pensioeninkomen is meegenomen.
De hoger beroepen van appellant werden ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.