ECLI:NL:CRVB:2014:2618
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verlenging Bbz-uitkering wegens niet-levensvatbaar bedrijf
Appellant startte in april 2011 samen met een compagnon een bedrijf en ontving vanaf februari 2011 een Bbz-uitkering. Het college wees de aanvraag tot verlenging van deze uitkering af omdat het bedrijf niet levensvatbaar werd geacht, gebaseerd op een advies van het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK).
Appellant betwistte dit advies met tegenadviezen van het MKB Huis, maar het college handhaafde het standpunt van het IMK. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellant ging in hoger beroep tegen dit laatste standpunt.
De Raad oordeelde dat het IMK-advies zorgvuldig en inzichtelijk was en dat het college terecht van dit advies was uitgegaan. De tegenadviezen van het MKB Huis bevatten geen voldoende concrete aanwijzingen om aan het IMK-advies te twijfelen. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevochten en wees het hoger beroep af.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 augustus 2014.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de verlenging van de Bbz-uitkering wegens niet-levensvatbaarheid van het bedrijf.