ECLI:NL:CRVB:2014:2705
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- P.W. van Straalen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens detentie en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving sinds 1998 bijstand en werd per 30 maart 2012 gedetineerd. Het college blokkeerde daarom de bijstand vanaf 1 april 2012 en trok de bijstand over de periode 30 maart tot en met 12 april 2012 in, inclusief terugvordering van kosten over 30 en 31 maart 2012. Appellant maakte geen melding van zijn detentie, waardoor hij zijn inlichtingenplicht schond.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de blokkering onterecht was, dat zijn detentie niet rechtmatig was en dat hij psychisch niet in staat was melding te maken. De Raad verwierp deze gronden: het college had op goede gronden het vermoeden dat appellant geen recht had op bijstand, de rechtmatigheid van de detentie is voor het recht op bijstand niet relevant, en appellant had redelijkerwijs melding moeten maken.
Ook het beroep op zeer dringende redenen voor bijzondere bijstand werd afgewezen, omdat appellant geen aanvraag had ingediend en onvoldoende aannemelijk maakte dat hij geen regeling kon treffen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens detentie en schending van de inlichtingenplicht.