ECLI:NL:CRVB:2014:2782
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor proceskosten gezinshereniging
Appellant ontvangt bijstand op grond van de WWB en heeft namens zijn vrouw en kinderen, die in Kenia verbleven, een nareisprocedure gevoerd voor gezinshereniging. De minister wees de machtigingsaanvragen af wegens onvoldoende aannemelijkheid van de gezinsband. Appellant maakte kosten voor rechtsbijstand en griffierechten en vroeg bijzondere bijstand aan, die door het college werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens ondeugdelijke motivering, maar handhaafde de rechtsgevolgen. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad dat de kosten niet tot de noodzakelijke kosten van appellant zelf behoren omdat de procedures op naam van zijn vrouw en kinderen zijn gevoerd en de toevoegingen ook op hun naam stonden. Appellant was slechts referent.
De Raad wijst erop dat ook het belang van appellant bij gezinshereniging geen reden geeft voor een andere beoordeling. De kosten zijn niet hoog, appellant ontving bijstand en kon een betalingsregeling treffen. Er is geen sprake van onnodig formalistisch optreden door het college. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand voor proceskosten bevestigd.