ECLI:NL:CRVB:2014:2895
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking inkomensvoorziening WIJ onterecht wegens onvoldoende duidelijkheid verplichtingen appellant
Appellant ontving een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok deze voorziening in per 1 november 2011 vanwege het niet nakomen van verplichtingen. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat het college het verkeerde wettelijke kader (WIJ in plaats van WWB) had toegepast, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
Appellant ging in hoger beroep tegen deze beslissing en stelde dat hij wel degelijk zijn best deed om werk te vinden, onder meer door uit eigen initiatief te solliciteren bij een werkgever. De Raad oordeelde dat het college onvoldoende duidelijk had gemaakt welke verplichtingen appellant precies had en dat het niet ondubbelzinnig was gebleken dat appellant zijn verplichtingen niet wilde nakomen.
De Raad stelde vast dat gedragingen vóór 10 november 2011 al waren gesanctioneerd met een waarschuwing en dat het college na die datum geen concrete verplichtingen had opgelegd. De sollicitatie bij de werkgever kwam van appellant zelf en het college had hem kunnen verplichten om contactgegevens te verstrekken, maar had dit nagelaten. Daarom was het intrekkingsbesluit onrechtmatig.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak voor zover de rechtsgevolgen van het besluit in stand waren gelaten en herroept het intrekkingsbesluit. Tevens veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van wettelijke rente, proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het intrekkingsbesluit van de inkomensvoorziening wordt herroepen omdat niet ondubbelzinnig vaststond dat appellant zijn verplichtingen niet nakwam.