ECLI:NL:CRVB:2014:3223
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- E.E.V. Lenos
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op loongerelateerde WGA-uitkering en vervolguitkering op grond van Wet WIA
Appellante, voormalig doktersassistente, meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde haar arbeidsongeschiktheid vast op ongeveer 57% en kende een loongerelateerde WGA-uitkering toe. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, terwijl het beroep tegen het vervolguitkeringsbesluit ongegrond werd verklaard.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat appellante wel procesbelang heeft bij de vaststelling of haar arbeidsongeschiktheid 80% of meer bedraagt. De Raad vernietigt deze uitspraak en verklaart het beroep ongegrond op inhoudelijke gronden, omdat de medische en arbeidskundige rapporten geen aanleiding geven tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.
Met betrekking tot het vervolguitkeringsbesluit bevestigt de Raad de uitspraak van de rechtbank dat de medische en arbeidskundige onderbouwing juist is en dat appellante de geselecteerde functies kan vervullen. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante en dient het betaalde griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid wordt ongegrond verklaard; het beroep tegen het vervolguitkeringsbesluit wordt bevestigd.