Appellant ontving een WGA-loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet WIA, die werd beëindigd wegens detentie. Na overplaatsing naar de Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) verzocht appellant om herleving van zijn uitkering vanaf die datum, wat door het UWV werd geweigerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel in hoger beroep.
De Raad overweegt dat artikel 43, onderdeel d, van de Wet WIA uitsluit dat een uitkering wordt toegekend aan personen aan wie rechtens vrijheid is ontnomen, met uitzondering van categorieën genoemd in artikel 44. Appellant valt niet onder deze uitzonderingen. Rechtspraak bevestigt dat uitzonderingen gelden voor personen die wegens een ziekelijke stoornis niet volledig toerekeningsvatbaar zijn en uitsluitend een maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging hebben, wat bij appellant niet het geval is.
De strafrechter heeft geoordeeld dat appellant volledig toerekeningsvatbaar is en een gevangenisstraf opgelegd gekregen heeft. Het verblijf op de FPA onder toepassing van de Penitentiaire Beginselenwet verandert hier niets aan. Ook verlofdagen tijdens het verblijf op de FPA geven geen recht op uitkering. De Raad concludeert dat het hoger beroep moet worden afgewezen en bevestigt de eerdere uitspraak.