ECLI:NL:CRVB:2014:3270
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in sociale zekerheidsprocedure
Verzoekster stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake een geschil met het UWV over een besluit van 2008. De procedure duurde in totaal zes jaar en acht maanden, waarbij de redelijke termijn van vier jaar werd overschreden. De Raad stelde vast dat de overschrijding zowel in de bestuurlijke fase als in de rechterlijke fase plaatsvond.
De Raad overwoog dat de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel aan het bestuursorgaan (UWV) wordt toegerekend, tenzij sprake is van een te lange rechterlijke behandelingsduur, die dan voor rekening van de Staat komt. In deze zaak was de rechterlijke fase langer dan toegestaan, waardoor een deel van de schadevergoeding aan de Staat werd toegerekend.
De Raad veroordeelde de Staat tot een immateriële schadevergoeding van €1.500,- en het UWV tot eenzelfde bedrag wegens de overschrijding van de redelijke termijn. Proceskostenvergoeding werd niet toegekend. De uitspraak werd gedaan door voorzitter B.M. van Dun op 8 oktober 2014.
Uitkomst: De Staat en het UWV worden elk veroordeeld tot betaling van €1.500,- immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.