ECLI:NL:CRVB:2014:3397
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag ambtenaar
Appellant was jarenlang werkzaam als senior technisch medewerker bij een gemeente en werd ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim, waaronder onregelmatigheden bij aanbestedingen en onjuist declaratiegedrag. Na een onderzoek door een bedrijfsrecherchebureau en een uitgebreid rapport werd appellant op non-actief gesteld en uiteindelijk ontslagen.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, die door het Uwv werd geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos was geworden. Het college had volgens het Uwv voldoende voortvarend gehandeld bij het ontslag, en aan de werkloosheid lag een dringende reden ten grondslag. Appellant maakte bezwaar en stelde in hoger beroep dat het college onvoldoende voortvarend had gehandeld en dat geen dringende reden bestond.
De Raad oordeelde dat het college binnen de context van ambtenarenrecht en de complexiteit van de zaak voldoende voortvarend had gehandeld. De dringende reden was zowel objectief als subjectief aanwezig, mede gelet op de ernst van het plichtsverzuim en de procedures die gevolgd moesten worden. De weigering van de WW-uitkering blijft daarom in stand.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en het college voldoende voortvarend heeft gehandeld bij het ontslag.