Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 29 juni 2017 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam
Rechtbank Oost-Brabant
Eiseres was sinds 2008 werkzaam bij de gemeente Rotterdam en werd in 2016 geconfronteerd met een intern integriteitsonderzoek naar een valselijk opgemaakte NS-factuur. Naar aanleiding van het onderzoek werd zij geschorst en volgde een ontslagprocedure. Hoewel eiseres verzocht om eervol ontslag per 1 september 2016, stelde de ex-werkgever dat er sprake was van een dringende reden voor ontslag op staande voet.
De rechtbank beoordeelde of de ex-werkgever voldoende voortvarend had gehandeld om het ontslag te rechtvaardigen als een subjectief dringende reden. Hierbij werd rekening gehouden met de bijzondere onderzoeksplicht van een ambtelijke werkgever en de tijd die nodig is voor overleg en beraad. De rechtbank concludeerde dat de werkgever zorgvuldig en voortvarend had gehandeld, mede gelet op de schorsing en vrijstelling van werkzaamheden van eiseres.
Eiseres stelde dat de werkgever te lang had gewacht en dat er geen sprake was van een subjectief dringende reden, mede omdat zij haar bezoldiging bleef ontvangen en er geen vaststellingsovereenkomst was gesloten. De rechtbank verwierp deze argumenten en stelde dat de ontslagprocedure en de gekozen ontslagdatum niet afdoen aan de voortvarendheid.
De rechtbank oordeelde dat de gedragingen van eiseres objectief een dringende reden vormden en dat ook subjectief voldoende voortvarend was opgetreden, waardoor sprake was van verwijtbare werkloosheid. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering door het UWV was terecht.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering is terecht.