ECLI:NL:CRVB:2016:2969
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Mede-terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding met twee woonadressen
Appellant en S ontvingen bijstand en het college van burgemeester en wethouders van Roermond trok deze bijstand in en vorderde terug wegens een verzwegen gezamenlijke huishouding. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding over de gehele periode 2000-2013, ondanks het feit dat appellant en S op twee verschillende adressen stonden ingeschreven.
In hoger beroep stelde appellant dat er geen sprake was van gezamenlijke huishouding voor 1 januari 2007, omdat hij slechts enkele dagen per week bij S verbleef en zijn hoofdverblijf elders was. De Raad overwoog dat volgens de Hoge Raad het hoofdverblijf moet worden bepaald aan de hand van het zwaartepunt van het persoonlijke leven en dat het enkel samen doorbrengen van tijd niet automatisch gezamenlijke huishouding betekent.
De Raad concludeerde dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant voor 1 januari 2007 zijn hoofdverblijf bij S had, waardoor geen grondslag bestond voor terugvordering over die periode. Voor de periode vanaf 1 januari 2007 was gezamenlijke huishouding wel vastgesteld en terugvordering gerechtvaardigd. De Raad vernietigde het bestreden besluit en droeg het college op een nieuwe beslissing te nemen, waarbij appellant werd toegewezen in proceskosten.
Uitkomst: Terugvordering van bijstand wordt beperkt tot de periode vanaf 1 januari 2007; eerdere terugvordering wordt vernietigd.