ECLI:NL:CRVB:2014:4053
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Blijvende volledige weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na eigen ontslag
Appellant werkte sinds april 2008 als winkelmedewerker en heeft zijn arbeidsovereenkomst per eind 2011 opgezegd. Daarna was hij kortstondig in dienst bij een andere werkgever op basis van een nulurencontract, waarna hij vanaf april 2012 niet meer werd opgeroepen voor werkzaamheden. Hij vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat appellant zelf ontslag had genomen zonder geldige reden.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat er wel uitzicht was op een dienstverband van minimaal 26 weken, mede omdat hem tijdens het sollicitatiegesprek verlenging was toegezegd. Dit werd door het UWV en de rechtbank niet erkend vanwege gebrek aan bewijs en de korte duur van het contract. De Raad overwoog dat het materiële uitzicht op een dienstverband van 26 weken of langer bepalend is, niet de juridische vorm.
De Raad concludeerde dat appellant geen concreet uitzicht had op een langdurig dienstverband en dat de beëindiging van het eerdere dienstverband verwijtbaar was. Er was geen sprake van omstandigheden die het redelijkerwijs onmogelijk maakten om bij de vorige werkgever te blijven werken. Verminderde verwijtbaarheid werd niet vastgesteld.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de volledige weigering van de WW-uitkering bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid na eigen ontslag.