ECLI:NL:CRVB:2014:4077
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid zonder loondervingsuitkering
Appellant ontving sinds 12 maart 2001 een WAO-uitkering van 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid. Na melding van toegenomen klachten per 17 maart 2009 weigerde het Uwv aanvankelijk herziening omdat dit buiten de vijfjaarstermijn viel. Na nieuw medisch onderzoek werd de uitkering per 15 maart 2011 verhoogd naar 80 tot 100%.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en stelde dat er sprake was van nieuwe feiten en onduidelijkheid over de berekening van de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en onderschreef het standpunt van het Uwv dat geen nieuwe feiten waren ingebracht en dat appellant geen recht had op een loondervingsuitkering omdat hij geen verzekerde werkzaamheden verrichtte op het moment van toename.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het hof oordeelt dat de medische stukken geen nieuwe feiten bevatten in de zin van artikel 4:6 Awb Pro, dat de herziening terecht pas per 15 maart 2011 inging, en dat het ontbreken van verzekerde werkzaamheden de toekenning van een loondervingsuitkering uitsluit. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de WAO-uitkering per 15 maart 2011 zonder loondervingsuitkering wordt bevestigd.