ECLI:NL:CRVB:2014:454
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB als alleenstaande ouder vanaf november 2004. Naar aanleiding van een signaal over een hoog banksaldo startte de gemeente Utrecht een onderzoek, waaruit bleek dat appellant en appellante vermoedelijk een gezamenlijke huishouding voerden en appellant inkomsten niet had gemeld.
Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellanten hoger beroep instelden. Zij betwistten het bestaan van een gezamenlijke huishouding en de schending van de inlichtingenplicht.
De Raad oordeelde dat appellanten wel degelijk een gezamenlijke huishouding voerden, gelet op inschrijving op hetzelfde adres, wederzijdse zorg, financiële en sociale verwevenheid. De stelling dat appellante vaak elders verbleef en dat er slechts een zakelijke huurrelatie was, werd verworpen. Ook was er geen sprake van druk bij het afleggen van verklaringen.
De Raad bevestigde dat appellant als gehuwd moet worden beschouwd en daarom geen recht had op bijstand als alleenstaande ouder. Het college was bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht wordt bevestigd.