ECLI:NL:CRVB:2014:623
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging medeterugvordering bijstand wegens onjuiste woonplaatsappreciatie
Appellante ontving vanaf 2003 bijstand als alleenstaande ouder. Na een fraudemelding in 2008 startte SoZaWe een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Uit buurtonderzoek, getuigenverklaringen en andere gegevens bleek dat appellante in de betwiste periode niet woonde in de gemeente Rotterdam, maar in een andere gemeente waar zij een gezamenlijke huishouding voerde met appellant.
Het college van B&W Rotterdam had de bijstand ingetrokken en de kosten teruggevorderd van appellante en appellant, omdat zij meenden dat appellante geen woonplaats had in Rotterdam. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad oordeelde dat het college niet bevoegd was om te beoordelen of appellante een gezamenlijke huishouding voerde in een andere gemeente en dus ook niet om van appellant terugvordering te doen op grond van artikel 59 WWB Pro.
De Raad vernietigde het besluit tot medeterugvordering jegens appellant en herroept het eerdere besluit. Wel bevestigde de Raad het besluit tot intrekking van bijstand aan appellante wegens het niet tijdig melden van haar werkelijke woonplaats. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het besluit tot medeterugvordering jegens appellant wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld in de proceskosten, terwijl de intrekking van bijstand aan appellante wordt bevestigd.