ECLI:NL:CRVB:2016:2658
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens ontbreken woonplaats in gemeente Eindhoven
Appellant ontving bijstand als alleenstaande in Eindhoven vanaf april 2014. Onderzoek door toezichthouders en sociale recherche bracht aan het licht dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met K, die woonde in Schijndel. Het college trok daarom de bijstand met ingang van 1 september 2014 in en vorderde teveel ontvangen bedragen terug.
Appellant voerde aan dat hij pas vanaf eind december 2014 samenwoonde en dat hij in de beoordelingsperiode in Eindhoven verbleef. De Raad oordeelde dat het college zich had moeten beperken tot de vraag of appellant woonplaats had in Eindhoven, en dat het motiveringsgebrek in het besluit niet tot vernietiging leidde omdat appellant niet benadeeld was.
De Raad achtte de onderzoeksbevindingen, waaronder verklaringen van K, pinggedrag en waarnemingen, voldoende voor de conclusie dat appellant geen woonplaats in Eindhoven had. De bezwaren tegen de rechtmatigheid van het onderzoek en de terugvordering faalden. De rechtbank had de zaak terecht afgewezen en de Raad bevestigde deze uitspraak met verbeterde motivering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het ontbreken van woonplaats in Eindhoven.