Appellante ontving sinds 2006 met onderbrekingen bijstand op grond van de WWB, laatstelijk vanaf mei 2011. Het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage had appellante verplicht om minimaal eenmaal per twee weken haar post op te halen. Bij besluit van 21 september 2011 werd de uitbetaling van de bijstand opgeschort omdat appellante niet de gevraagde gegevens had verstrekt. Vervolgens werd bij besluit van 5 oktober 2011 het recht op bijstand opgeschort en werd aangekondigd dat bij niet-herstel van het verzuim de uitkering zou worden ingetrokken.
Het college trok bij besluit van 19 oktober 2011 de bijstand in wegens het niet aanleveren van de gevraagde stukken. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen bij besluit van 6 februari 2012. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante had moeten navragen welke stukken werden bedoeld. Appellante voerde aan dat het opschortingsbesluit onvoldoende duidelijk was en dat zij niet verplicht was om zelf navraag te doen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college in het opschortingsbesluit niet duidelijk heeft gemaakt welke gegevens moesten worden verstrekt. Hoewel appellante niet aan de postophaalverplichting voldeed en niet reageerde op verzoeken om contact, was er geen sprake van een verzuim in de zin van artikel 54, vierde lid, WWB. Daardoor was het college niet bevoegd om de uitkering op deze grond in te trekken. De Raad vernietigt het bestreden besluit en het intrekkingsbesluit van 19 oktober 2011, verklaart het beroep gegrond en veroordeelt het college in de proceskosten van appellante.