Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
dwangsom op € 1.260,-;
Centrale Raad van Beroep
Appellant diende op 12 december 2011 een aanvraag in voor langdurigheidstoeslag op grond van de WWB. Het college wees deze aanvraag bij besluit van 7 maart 2012 af en kende bij besluit van 12 maart 2012 een dwangsom toe wegens het niet tijdig nemen van een besluit. Appellant maakte bezwaar tegen beide besluiten en stelde dat hij het besluit van 7 maart 2012 pas op 27 april 2012 had ontvangen, waardoor zijn bezwaar tijdig was ingediend.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het besluit van 7 maart 2012 niet-ontvankelijk, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit tijdig is verzonden. Hierdoor is het bezwaar ontvankelijk. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt inhoudelijk dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen.
Daarnaast oordeelt de Raad dat het bezwaar tegen de vaststelling van de dwangsom niet-ontvankelijk is verklaard door het college terwijl dit onterecht was. De Raad herroept het besluit van 12 maart 2012 en stelt de dwangsom vast op het maximale bedrag van €1.260,- voor de periode van 8 maart tot en met 26 april 2012.
Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 25 maart 2014.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de langdurigheidstoeslag wordt ongegrond verklaard, maar het bezwaar tegen de dwangsom wordt ontvankelijk verklaard en de dwangsom wordt vastgesteld op €1.260.