ECLI:NL:CRVB:2014:938
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingezetenschap voor AOW-verzekering na binnenkomst in Nederland
Appellante, geboren in 1959 en oorspronkelijk woonachtig op Curaçao, is in september 1978 naar Nederland gekomen met een tijdelijke verblijfsvergunning voor studieredenen. Zij volgde een studie en ontving een studiebeurs uit Curaçao. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde vast dat zij niet verzekerd was voor de AOW vanaf haar vijftiende verjaardag tot drie jaar na haar binnenkomst in Nederland en handhaafde dit besluit na bezwaar.
Appellante voerde aan dat zij vanaf haar aankomst in Nederland als ingezetene moest worden beschouwd omdat zij de intentie had hier te blijven en carrière te maken. De Raad overwoog dat ingezetenschap wordt beoordeeld aan de hand van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland, waarbij de omstandigheden van het verblijf doorslaggevend zijn.
De Raad concludeerde dat appellante gedurende haar studieperiode een tijdelijke verblijfsvergunning had, financieel afhankelijk was van Curaçao en de Venezolaanse nationaliteit bezat. De intentie om na de studie te blijven was onvoldoende om ingezetenschap vanaf aankomst aan te nemen. Pas drie jaar na binnenkomst werd een duurzame band met Nederland aangenomen, conform de beleidsregels van de Svb.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde hiermee het besluit van de Svb en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding om eerder tot ingezetenschap te concluderen of om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Appellante werd pas drie jaar na haar binnenkomst in Nederland als ingezetene voor de AOW verzekerd verklaard.