Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:938

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 maart 2014
Publicatiedatum
21 maart 2014
Zaaknummer
12-5086 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 AOWArt. 2 AOWArt. 3 AOWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ingezetenschap voor AOW-verzekering na binnenkomst in Nederland

Appellante, geboren in 1959 en oorspronkelijk woonachtig op Curaçao, is in september 1978 naar Nederland gekomen met een tijdelijke verblijfsvergunning voor studieredenen. Zij volgde een studie en ontving een studiebeurs uit Curaçao. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde vast dat zij niet verzekerd was voor de AOW vanaf haar vijftiende verjaardag tot drie jaar na haar binnenkomst in Nederland en handhaafde dit besluit na bezwaar.

Appellante voerde aan dat zij vanaf haar aankomst in Nederland als ingezetene moest worden beschouwd omdat zij de intentie had hier te blijven en carrière te maken. De Raad overwoog dat ingezetenschap wordt beoordeeld aan de hand van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland, waarbij de omstandigheden van het verblijf doorslaggevend zijn.

De Raad concludeerde dat appellante gedurende haar studieperiode een tijdelijke verblijfsvergunning had, financieel afhankelijk was van Curaçao en de Venezolaanse nationaliteit bezat. De intentie om na de studie te blijven was onvoldoende om ingezetenschap vanaf aankomst aan te nemen. Pas drie jaar na binnenkomst werd een duurzame band met Nederland aangenomen, conform de beleidsregels van de Svb.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde hiermee het besluit van de Svb en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding om eerder tot ingezetenschap te concluderen of om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Appellante werd pas drie jaar na haar binnenkomst in Nederland als ingezetene voor de AOW verzekerd verklaard.

Uitspraak

12/5086 AOW
Datum uitspraak: 21 maart 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage
van 1 augustus 2012, 12/2700 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. G.A.A. de Josselin hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Josselin. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. G.E. Eind.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft vanaf haar geboorte op [geboortedatum] 1959 op Curaçao gewoond. In 1961 is zij naar Venezuela verhuisd en in 1962 naar Curaçao teruggekeerd. Begin september 1978 is zij vanuit Curaçao naar Nederland gekomen. Zij had op dat moment de Venezolaanse nationaliteit.
1.2. Appellante heeft in Nederland een studie gevolgd. Zij ontving een studiebeurs uit Curaçao en had een tijdelijke vergunning tot verblijf voor studieredenen, die steeds werd verlengd. Na haar studie is appellante in Nederland woonachtig en werkzaam gebleven.
1.3. De Svb heeft appellante op 23 mei 2012 desgevraagd een pensioenoverzicht toegezonden. Daarin is vermeld dat appellante niet verzekerd is geweest voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) van [geboortedatum] 1974 (haar vijftiende verjaardag) tot en met 3 september 1981 (drie jaar na haar binnenkomst in Nederland). Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt.
1.4. Bij beslissing op bezwaar van 8 februari 2012 (bestreden besluit) heeft de Svb zijn beslissing van 23 mei 2012 gehandhaafd.
2.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellante heeft ook in hoger beroep naar voren gebracht dat zij in september 1978 naar Nederland is gekomen met het voornemen hier te blijven. Zij kwam niet alleen voor studiedoeleinden, maar wilde hier carrière maken. Zij is daarom van mening dat zij vanaf
4 september 1978 als ingezetene van Nederland moet worden aangemerkt.
4.1.
De Raad overweegt het volgende.
4.2.
Tussen partijen is in geschil of appellante in de periode van 4 september 1978 tot en met 3 september 1981 als ingezetene van Nederland moet worden aangemerkt en derhalve verzekerd was voor de AOW.
4.3.
In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW is bepaald dat verzekerd is krachtens die wet degene die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van Pro de AOW is ingezetene in de zin van die wet degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AOW naar de omstandigheden beoordeeld.
4.4.
In de arresten van 21 januari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP1466) en 4 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP6285) heeft de Hoge Raad overwogen dat het er bij de beoordeling naar de omstandigheden van ingezetenschap op aankomt of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt. Uit de parlementaire geschiedenis van het fiscale woonplaatsbegrip volgt volgens de Hoge Raad dat de wetgever geen bijzondere betekenis heeft willen toekennen aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals iemands sociale of economische binding met een land. De Svb heeft vervolgens beleidsregels opgesteld met betrekking tot de beoordeling van ingezetenschap.
4.5.
In een aantal uitspraken van de Raad van 4 mei 2012 en 17 augustus 2012 (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2012:BW5323 en ECLI:NL:CRVB:2012:BX4884) is geoordeeld dat het de exclusieve taak van de rechter is om in procedures als de onderhavige het wettelijk begrip ingezetene uit te leggen. Daarmee is niet gezegd dat de Svb geen wetsinterpreterende beleidsregels mag opstellen, maar deze regels kunnen de rechter niet binden. Zij zijn in het algemeen dus niet van doorslaggevende betekenis voor het antwoord op de vraag of een betrokkene als ingezetene moet worden aangemerkt, met dien verstande dat wel steeds beoordeeld moet worden of de Svb zijn beleidsregels ter zake, voor zover daarin sprake is van een begunstigende uitleg van de wet, ook stelselmatig heeft toegepast.
4.6.
De Svb heeft een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellante en Nederland aangenomen, drie jaar na binnenkomst van appellante in Nederland. De Raad ziet geen aanleiding om reeds eerder tot ingezetenschap te concluderen. Appellante is naar Nederland gekomen voor een studie die op Curaçao niet gevolgd kon worden. Zij woonde in een studentenflat en in haar onderhoud werd voorzien door een studiebeurs vanuit Curaçao. Zij had de Venezolaanse nationaliteit en verbleef in Nederland op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning voor studieredenen, die steeds werd verlengd. De (achteraf uitgesproken) intentie om na de studie in Nederland te blijven is onvoldoende om aan te nemen dat zij meteen vanaf september 1978 ingezetene van Nederland was. Die intentie zal uit feiten en omstandigheden moeten blijken. De verklaring van haar moeder is daarvoor onvoldoende. Dat appellante achteraf bezien Nederland niet meer heeft verlaten, is evenmin doorslaggevend. Er zijn geen feiten of omstandigheden die er ten tijde van appellantes studie reeds op wezen dat zij de geobjectiveerde intentie had zich blijvend in Nederland te vestigen, nog daargelaten of die intentie verwezenlijkt kon worden.
4.7.
Het onder 4.2 tot en met 4.6 overwogene leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5.
Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en E.E.V. Lenos en
G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2014.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) I.J. Penning
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over ingezetenschap.
KvR