ECLI:NL:CRVB:2014:958
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens overschrijding vermogensgrens en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving sinds 2006 bijstand als alleenstaande ouder. In 2007 kocht zij een standplaats voor €15.248,-, gefinancierd met €15.000,- contant, zonder dit te melden aan het college. Tevens werden in 2007 en 2008 twee auto's van elk minimaal €10.000,- op haar naam gezet zonder melding. Na een onderzoek besloot het college in 2010 de bijstand met ingang van 1 augustus 2007 in te trekken en de bijstandskosten over de periode tot maart 2009 terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij beschikte over vermogen boven de vrijgestelde grens en de inlichtingenplicht had geschonden. Appellante voerde in hoger beroep onder meer het gelijkheidsbeginsel en misbruik van omstandigheden aan, maar slaagde hier niet in. De Raad bevestigde dat het college bevoegd was tot intrekking en terugvordering, dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het vermogen uit toegestane bronnen kwam, en dat zij geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd om terugvordering te voorkomen.
De Raad wees het verzoek tot aanhouding af en oordeelde dat de schending van de inlichtingenplicht bestond uit het niet melden van het vermogen op 1 augustus 2007 en de latere vermogensmutaties door de auto's. De terugvordering werd beperkt tot de periode tot 30 maart 2009, mede vanwege de informatie die appellante in september 2008 had verstrekt. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.