ECLI:NL:CRVB:2014:993
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- F. Hoogendijk
- G.M.G. Hink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en beoordeling co-ouderschap
Appellant ontving bijstand als alleenstaande, maar het college stelde na onderzoek vast dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met de moeder van zijn kind, zonder dit te melden. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd over de periode van 2008 tot 2011.
De Raad oordeelde dat uit verklaringen, observaties en verbruiksgegevens blijkt dat appellant feitelijk in de woning van de moeder verbleef en daarmee een gezamenlijke huishouding voerde. De motieven van appellant, zoals zorg voor het kind, zijn niet relevant voor de beoordeling van de gezamenlijke huishouding.
Verder werd vastgesteld dat appellant zich pas op 4 mei 2011 meldde voor een nieuwe aanvraag bijstand, die terecht werd toegekend vanaf die datum. De door het college gehanteerde richtlijn voor co-ouderschap, die onder meer een schriftelijke overeenkomst vereist, werd als niet onaanvaardbaar beoordeeld. Ten tijde van de aanvraag was aan deze voorwaarden niet voldaan.
Het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien om af te zien van terugvordering op grond van dringende redenen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.