Appellant was van 23 oktober 2006 tot 23 oktober 2007 werkzaam als bewaker productieproces en meldde zich daarna ziek. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe, maar beëindigde deze per 1 juli 2012 omdat appellant geschikt werd geacht voor zijn eigen werk. De rechtbank oordeelde dat de laatst verrichte functie niet maatgevend was vanwege gezondheidsbeperkingen en een zogenoemde 'witte raven baan'.
In hoger beroep stelde appellant dat er onvoldoende indicaties waren voor arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering, mede gezien de duur van zijn werkzaamheden. Het UWV wijzigde zijn standpunt en erkende dat appellant bij aanvang niet geschikt was voor zijn functie, maar baseerde zich op theoretische arbeidsmogelijkheden voor een fictieve maatmanfunctie.
De Raad concludeerde dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met het feit dat appellant bijna twaalf maanden als bewaker had gewerkt en dat er geen voldoende en ondubbelzinnige indicaties waren voor arbeidsongeschiktheid bij aanvang. Het bestreden besluit was daardoor onvoldoende gemotiveerd en in strijd met de Awb. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en kosten.