ECLI:NL:CRVB:2024:109
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant was vanaf 4 mei 2007 werkzaam als assistent medewerker en meldde zich op 21 mei 2007 ziek met psychische klachten. Het UWV weigerde een WIA-uitkering per 19 mei 2009 omdat appellant niet voldeed aan de wachttijd en minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelden vast dat appellant bij aanvang van het dienstverband al ongeschikt was voor zijn functie, maar geschikt voor andere functies met vergelijkbare loonwaarde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd overwogen dat het bewijsrisico bij laattijdige aanvraag bij appellant ligt en dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende gemotiveerd waren. Appellant voerde aan dat het UWV ten onrechte een fictieve maatman vaststelde en dat hij eerder elders had gewerkt met een bedrijfsarts die zijn klachten kende.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat de belastbaarheid per 4 mei 2007 juist was vastgesteld en dat er geen aanwijzingen waren voor een ander oordeel. De functie assistent medewerker was ongeschikt, maar appellant was geschikt voor andere functies, waardoor geen recht op WIA-uitkering ontstond. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant vanwege wijziging van haar standpunt tijdens de procedure.
Uitkomst: De weigering van de WIA-uitkering per 19 mei 2009 wordt bevestigd omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.