ECLI:NL:CRVB:2015:1116
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing loonvordering in refertejaar voor WW-dagloonberekening
Appellante was directeur bij een werkgeefster waarvan de aandelen in handen waren van haar toenmalige echtgenoot. Vanaf augustus 2011 ontving zij geen loon meer, en haar arbeidsovereenkomst werd per 1 januari 2012 beëindigd. Het UWV stelde het dagloon voor de WW-uitkering vast zonder rekening te houden met het niet-betaalde loon over de periode augustus tot en met december 2011.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat het loon vorderbaar maar niet inbaar was, zoals bedoeld in artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen. De rechtbank wees het beroep af omdat appellante niet had aangetoond dat zij haar werkgever tijdig en ondubbelzinnig had gemaand tot betaling.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De overgelegde stukken, waaronder loonspecificaties, een brief van appellante en een verklaring van haar ex-echtgenoot, boden onvoldoende bewijs van een tijdige en ondubbelzinnige aanmaning. Bovendien bleek uit notulen van de aandeelhoudersvergadering en een telefoongesprek met het UWV dat appellante akkoord was gegaan met het niet uitbetalen van haar loon.
De Raad concludeerde dat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 2, vierde lid, van het Besluit en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen loonvordering heeft aangetoond die vorderbaar maar niet inbaar was, waardoor het dagloon correct is vastgesteld.