ECLI:NL:CRVB:2013:1653
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep herstelt besluit UWV over vorderbaar en inbaar loon in WW-uitkering
Appellant was sinds 1 december 2003 in dienst bij zijn werkgever en had vanaf 1 oktober 2010 recht op een hogere functie met bijbehorend loon, maar werd niet in die functie geplaatst en betaald. Ondanks sommatie en een vaststellingsovereenkomst waarin doorbetaling werd toegezegd, bleef de werkgever in gebreke.
Het UWV kende appellant een WW-uitkering toe met een vastgesteld dagloon, maar wees bezwaar tegen het besluit af omdat het vorderbare loon volgens het UWV niet inbaar was. De rechtbank volgde dit oordeel, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders.
De Raad stelde vast dat appellant voldoende had aangetoond dat de werkgever weigerde het loon te betalen, mede door de correspondentie en vaststellingsovereenkomst. Een schriftelijke weigering was niet vereist. Daarom was het vorderbare loon ook inbaar in het refertejaar.
De Raad droeg het UWV op het besluit te herstellen binnen zes weken, met toepassing van de juiste wettelijke bepalingen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 4 september 2013.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen en het dagloon opnieuw vast te stellen met inachtneming van het vorderbare en inbare loon.