ECLI:NL:CRVB:2015:1275
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding op uitkeringsadres
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Na een anonieme melding dat zij samenwoonde met K, voerde het college een onderzoek uit. Hieruit bleek dat K zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, wat leidde tot intrekking van de bijstand vanaf 1 november 2012.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de gezamenlijke huishouding pas vanaf 14 maart 2013 bestond en dat zij door haar geestelijke gesteldheid niet in staat was een reële verklaring af te leggen. De Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen, waaronder een gedetailleerde verklaring van appellante op 4 maart 2013, voldoende waren om te concluderen dat K zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had.
De Raad verwierp het verweer dat appellante onder druk stond bij haar verklaring en dat haar geestelijke gesteldheid haar belemmerde. Zonder objectieve medische gegevens kon dit niet worden aangenomen. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en de intrekking van de bijstand, zonder proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd wegens gezamenlijke huishouding vanaf 1 november 2012.