ECLI:NL:CRVB:2015:1286
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet-melding vermogen na overlijden en opname ouder
Appellant ontving bijstand van 1997 tot 2010. Zijn ouders schonken in 1995 een woning aan hem en zijn zusters met gebruiksrecht voor de ouders. De moeder ging op 5 juni 2007 naar een verzorgingstehuis, de vader overleed op 1 augustus 2007. Vanaf die datum hadden appellant en zijn zusters feitelijk volledige beschikking over de woning.
Het college trok de bijstand met ingang van 1 augustus 2007 in en vorderde €40.587,98 terug omdat appellant niet had gemeld dat hij vermogen boven de vermogensgrens had. De rechtbank vernietigde het besluit wegens procedurele fouten maar liet de terugvordering in stand omdat de middelen uit de woningverkoop aan de bijstandsperiode toegerekend konden worden.
In hoger beroep stelde appellant dat de opbrengst niet uit erfdeel voortkwam en dat het gebruiksrecht van de moeder bleef bestaan tot haar overlijden in 2010. De Raad oordeelde dat het gebruiksrecht vanaf 1 augustus 2007 niet meer reëel was omdat de moeder in een verzorgingstehuis verbleef en de vader was overleden.
Ook het beroep op het verblijvensbeding faalde omdat appellant feitelijk mede-eigenaar bleef en de zusters geen beroep deden op het beding. De Raad bevestigde daarom de terugvordering vanaf 1 augustus 2007. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand vanaf 1 augustus 2007 wordt bevestigd wegens niet-melding van vermogen door overlijden en opname ouder.