ECLI:NL:CRVB:2015:1648

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 mei 2015
Publicatiedatum
28 mei 2015
Zaaknummer
12-6667 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken belanghebbende bij ZW-uitkering

Appellante had beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om betrokkene niet in aanmerking te brengen voor een Ziektewet-uitkering, omdat betrokkene niet in dienstbetrekking werkzaam was geweest. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk, omdat sinds 22 april 2011 geen rechtsverhouding meer bestond tussen appellante en betrokkene, waardoor appellante geen belanghebbende was in de zin van artikel 1:2 Awb Pro.

In hoger beroep stelde appellante dat zij wel belanghebbende was, verwijzend naar eerdere jurisprudentie. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat appellante geen belanghebbende was, omdat de rechtsverhouding tussen appellante en betrokkene was beëindigd.

Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen belanghebbende is bij het besluit.

Uitspraak

12/6667 ZW
Datum uitspraak: 20 mei 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van
6 november 2012, 11/2186 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. Ph.A.A. Nijbakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 12/6660 plaatsgehad op 30 oktober 2013. Namens appellante is mr. Nijbakker verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.
Het onderzoek is heropend na de zitting.
Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens, gevoegd met de zaken 12/6660 en 13/738, plaatsgevonden op 1 oktober 2014. Namens appellante is mr. Nijbakker verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.M. Anedda. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. In elke zaak zal afzonderlijk uitspraak worden gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 17 mei 2011 heeft het Uwv [betrokkene] (betrokkene) niet in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) omdat hij niet in dienstbetrekking werkzaam is geweest.
1.2.
Appellante en betrokkene hebben tegen het besluit van 17 mei 2011 bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 10 november 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard onder de overweging dat tussen appellante en betrokkene geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst. Als gevolg daarvan is betrokkene volgens het Uwv niet verzekerd geweest in de zin van de ZW.
2. Appellante en betrokkene hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard onder de overweging dat, nu er sinds 22 april 2011 geen rechtsverhouding meer bestond tussen appellante en betrokkene, appellante geen belanghebbende was in de zin van artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat zij belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van Pro de Awb. Zij heeft daarbij onder meer verwezen naar de uitspraak van de Raad van
24 september 2002 (ECLI:NL:CRVB:2002:AE8200).
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Op grond van het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
4.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat, nu tussen appellante en betrokkene vanaf
22 april 2011 geen rechtsverhouding meer bestond, appellante geen belanghebbende is bij de besluiten van het Uwv van 17 mei 2011 en 10 november 2011.
4.3.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2015.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) J.C. Hoogendoorn

HD