ECLI:NL:CRVB:2015:1676
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-melding op geld waardeerbare activiteiten
Appellant ontving bijstand op grond van het Bbz 2004 voor het opzetten van een datingsite en vroeg later bijstand aan op grond van de WWB. Het college trok de bijstand in omdat appellant niet of niet volledig de gevraagde informatie had verstrekt, met name over zijn werkzaamheden als directeur-grootaandeelhouder en de omvang van zijn activiteiten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat hij als zelfstandige werd aangemerkt en daarom geen recht had op WWB-bijstand. In hoger beroep stelde appellant dat hij niet voldeed aan het urencriterium en dat hij geen salaris als directeur-grootaandeelhouder ontving. De Raad concludeerde dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant aan het urencriterium voldeed en dat hij geen salaris als DGA van de B.V. ontving.
Wel oordeelde de Raad dat de werkzaamheden die appellant verrichtte, zoals het bijwerken van commerciële websites, op geld waardeerbare activiteiten zijn. Door deze niet te melden heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden, wat een rechtsgrond vormt voor intrekking van de bijstand. Appellant kon de omvang van zijn werkzaamheden niet aannemelijk maken, waardoor het college het besluit tot intrekking terecht handhaafde, zij het op andere gronden dan de rechtbank.
De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten van appellant en het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 mei 2015.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand wordt bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting door appellant.