ECLI:NL:CRVB:2015:1755
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) als alleenstaande. Uit onderzoek bleek dat hij in de periode van 12 oktober 2011 tot en met 10 oktober 2012 kasstortingen en overmakingen van zijn broer en zus ontving, zonder dit te melden aan het college. Het college herzag daarop de bijstand en vorderde €2.815,40 terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de bedragen geldleningen waren, met bewijsstukken en deels terugbetaald. De Raad oordeelde dat periodieke betalingen, ook in de vorm van leningen, als inkomen worden aangemerkt als appellant er vrij over kon beschikken.
Omdat appellant de betalingen niet had gemeld, schond hij de wettelijke inlichtingenverplichting. Het college was bevoegd de bijstand te herzien. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening van de bijstandsuitkering bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.