ECLI:NL:CRVB:2015:1859
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering en boete wegens niet melden inkomsten WAO-uitkering
Appellant ontving vanaf 25 augustus 1995 een WAO-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Vanaf 11 september 2006 hervatte hij werkzaamheden voor tien uren per week, maar meldde dit niet tijdig aan het Uwv. Pas in oktober 2011 werd dit bekend bij het Uwv, dat daarop de uitkering met terugwerkende kracht verlaagde naar een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse en de te veel betaalde bedragen terugvorderde.
Daarnaast legde het Uwv een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant zowel objectief als subjectief verwijtbaar handelde door zijn inkomsten niet te melden. De Raad onderschreef dit oordeel en bevestigde dat de terugvordering en boete terecht zijn opgelegd.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn netto loon gelijk bleef en dat hij mocht vertrouwen op het uitblijven van terugvordering, maar de Raad stelde dat het Uwv de bruto inkomsten als maatstaf hanteert en dat appellant een aanzienlijk hoger bruto salaris ontving. De Raad concludeerde dat het niet melden van de inkomsten een ernstige overtreding van de inlichtingenplicht is en dat de boete proportioneel is.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de bestreden uitspraak, zonder aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering en boete wegens niet tijdig melden van inkomsten.