ECLI:NL:CRVB:2015:1901
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Prepensioenuitkering wordt in mindering gebracht op WW-uitkering
Appellante, geboren in 1951, werkte van 1997 tot 2003 bij een werkgever waar zij prepensioen opbouwde. Vanaf 2012 werkte zij bij een andere werkgever in deeltijd. Na beëindiging van dit dienstverband ontving zij een WW-uitkering. Het UWV bracht de prepensioenuitkering die zij ontving in mindering op haar WW-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat de uitzondering in artikel 3:5, derde lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) alleen geldt indien het prepensioen en de werkloosheid uit hetzelfde dienstverband voortkomen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat deze beperking niet uit de wettekst of toelichting blijkt.
De Raad oordeelt dat de uitzondering inderdaad beperkt is tot situaties waarin het arbeidsurenverlies en het prepensioen uit hetzelfde dienstverband voortkomen. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie en de toelichting bij het AIB. De brief van minister Asscher bevestigt deze uitleg. De stelling van appellante dat zij door de regeling onevenredig wordt benadeeld, leidt niet tot een ander oordeel.
De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de prepensioenuitkering uit een ander dienstverband in mindering mag worden gebracht op de WW-uitkering.