ECLI:NL:CRVB:2015:960
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging volledige korting WW-uitkering wegens pensioeninkomsten volgens AIB
Appellante ontvangt een WW-uitkering na werkloosheid uit een dienstverband met de WVS-groep. Het UWV bracht het ouderdomspensioen en het tijdelijk ouderdomspensioen, uitbetaald door het Rabobank pensioenfonds, in mindering op haar WW-uitkering op grond van artikel 34 van Pro de Werkloosheidswet (WW).
Na een wijziging van artikel 34 WW Pro per 1 maart 2012 heeft het UWV opnieuw besloten de WW-uitkering volledig te korten. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante eveneens ongegrond, stellende dat beide pensioenvormen als inkomen volgens het Algemeen Inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) moeten worden aangemerkt.
Appellante stelde in hoger beroep dat haar situatie geen grond bood voor de korting, maar de Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank. De uitzondering in artikel 3:5, derde lid, van het AIB geldt slechts bij een pensioenuitkering die reeds vóór het recht op WW werd genoten en betrekking heeft op eerder verlies van arbeidsuren binnen hetzelfde dienstverband. Deze situatie was bij appellante niet aan de orde.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de volledige korting van de WW-uitkering wegens pensioeninkomsten wordt bevestigd.