ECLI:NL:CRVB:2015:2000
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand en terugvordering wegens vermeende gezamenlijke huishouding niet gegrond verklaard
Appellante ontving bijstand die door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag werd ingetrokken en teruggevorderd wegens vermeende gezamenlijke huishouding met K op het uitkeringsadres. De rechtbank had het beroep van appellante deels gegrond verklaard, met name over de periode vanaf 1 juli 2011, maar het college bleef bij de terugvordering.
In hoger beroep betwistte appellante dat zij met K een gezamenlijke huishouding voerde in de periodes 1 juli 2010 tot 11 oktober 2011. De Raad oordeelde dat het college onvoldoende bewijs had geleverd dat K zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. De verklaring van K aan de sociale recherche was onvoldoende onderbouwd en de getuigenverklaringen waren tegenstrijdig en niet overtuigend.
Daarom kon de intrekking van de bijstand en de terugvordering over deze periodes niet standhouden. De Raad vernietigde de bestreden besluiten en droeg het college op een nieuwe beslissing te nemen over de terugvordering. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering over periodes 1 en 2 worden vernietigd wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding.