ECLI:NL:CRVB:2015:209
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste berekening WIA-dagloon ondanks loonvordering failliete werkgever
Appellante was werkzaam als voorwerkster en staakte haar werkzaamheden wegens ziekte in april 2009. Zij vorderde achterstallig loon van haar werkgever over januari 2009 tot juni 2010, maar de werkgever ging failliet in augustus 2010. Na opheffing van het faillissement werd de loonvordering deels toegewezen door de kantonrechter.
Het UWV stelde het WIA-dagloon van appellante vast op €70,24 en wees bezwaar tegen deze vaststelling af. Appellante stelde dat het dagloon hoger moest worden vastgesteld, mede omdat de kantonrechter haar loonvordering deels had toegewezen en het UWV bij de overnameverplichting het rechtens geldende loon hanteerde.
De Raad oordeelde dat appellante niet had aangetoond dat zij in het refertejaar (20 april 2008 tot 19 april 2009) haar werkgever op ondubbelzinnige wijze had gemaand het vorderbare loon uit te betalen en dat de werkgever in gebreke was gebleven. De stelling dat de werkgever zich niet aan de CAO had gehouden was niet onderbouwd. Ook de verschillen in regelgeving tussen faillissementsuitkering en dagloonvaststelling speelden een rol.
Daarom was niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen en was het dagloon correct vastgesteld. Het hoger beroep werd verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Vergoeding van wettelijke rente en proceskosten werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd; het dagloon is correct vastgesteld.