ECLI:NL:CRVB:2015:2102
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering wegens niet gemelde werkzaamheden als depothoudster
Appellante ontving sinds 1988 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Het UWV stelde vast dat zij van 1 januari 2007 tot 14 oktober 2011 werkzaamheden als depothoudster verrichtte en inkomsten genoot die niet waren gemeld, waardoor de uitkering te hoog was vastgesteld.
Het UWV paste artikel 44 van Pro de WAO toe en vorderde de onverschuldigd betaalde uitkering van € 22.249,51 bruto terug. Appellante voerde aan dat zij slechts toezichthoudende taken verrichtte en dat zij haar inkomsten had gemeld, onder meer door een formulier dat zij als kennelijke verschrijving zag. Ook stelde zij dat het UWV in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel had gehandeld.
De Raad oordeelde dat appellante wel degelijk werkzaamheden verrichtte en dat zij niet aan haar inlichtingenplicht had voldaan. Het beleid van het UWV om artikel 44 met Pro terugwerkende kracht toe te passen is consistent en rechtmatig. De terugvordering is daarom terecht en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigde WAO-uitkering wegens niet gemelde werkzaamheden.