ECLI:NL:CRVB:2015:2345
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-woonachtig zijn in gemeente
Appellant ontving bijstand als alleenstaande op grond van de WWB, maar het college trok deze bijstand in omdat hij niet meer zijn hoofdverblijf in de gemeente [woonplaats 1] had. Na een onderzoek, mede naar aanleiding van een anonieme melding, werd vastgesteld dat appellant sinds 1 april 2012 feitelijk woonde op een adres in een andere gemeente.
Appellant voerde aan dat zijn verklaring over het hoofdverblijf onjuist was weergegeven en dat hij mantelzorg verleende, waardoor zijn verblijf in de andere gemeente tijdelijk was. De Raad oordeelde echter dat de verklaring correct was vastgelegd en dat het verblijf in de andere gemeente niet tijdelijk was, mede gelet op verklaringen van buren en het ontbreken van objectieve aanwijzingen dat appellant 's nachts in de oorspronkelijke gemeente verbleef.
De Raad concludeerde dat het college terecht de bijstand had ingetrokken en de terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstand terecht was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens het niet langer hebben van het hoofdverblijf in de gemeente wordt bevestigd.