ECLI:NL:CRVB:2015:2347
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante diende in 2008 een aanvraag bijstand in die werd afgewezen vanwege een gezamenlijke huishouding met E. In 2009 werd bijstand toegekend aan appellante als alleenstaande. Na een anonieme tip startte het college een onderzoek dat leidde tot een besluit in 2013 om de bijstand over de periode van april 2009 tot december 2011 in te trekken en terug te vorderen, omdat appellante en E een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellante ging in hoger beroep en betwistte dat zij haar hoofdverblijf had in de woning van E en dat sprake was van wederzijdse zorg. De Raad oordeelde dat het college aannemelijk had gemaakt dat appellante haar hoofdverblijf op het adres van E had en dat daarmee sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De verklaring van E, de verklaring van appellante zelf en verklaringen van buren ondersteunden dit oordeel. Omdat appellante de inlichtingenplicht had geschonden, was het college bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.